Informatie over de Vroege Bril Studie

1. Algemene informatie

Het Erasmus MC heeft dit onderzoek opgezet. Hieronder noemen we het Erasmus MC steeds de ‘opdrachtgever’. Onderzoekers, dit kunnen orthoptisten of artsen zijn, voeren het (oog- en (pre)leesvaardiheid) onderzoek uit in verschillende centra in Nederland (consultatiebureaus, Visio Eindhoven, Bartiméus Ermelo). Voor dit onderzoek zijn minimaal 2000 proefpersonen nodig. In Nederland zullen naar verwachting 2000 tot 4000 proefpersonen meedoen.

2. Wat is het doel van het onderzoek?

In de Vroege Bril Studie onderzoeken we of we een lui oog kunnen voorkomen. Dit doen we door kinderen op de leeftijd van 1 jaar een bril te geven als de oogsterkte afwijkend is. Dit wordt nu al gedaan in België, maar niet in Nederland. Dit komt, omdat het voordeel van het vroeg voorschrijven van een bril nog niet goed is onderzocht. Als aan het einde van deze studie duidelijk wordt dat het geven van een bril een lui oog kan voorkomen, dan kan dit van invloed zijn op de toekomstige oogscreening van jonge kinderen in Nederland.

3. Wat is de achtergrond van het onderzoek?

Een lui oog komt veel voor. Ongeveer 3.4 procent van alle kinderen ontwikkelt een lui oog in de vroege levensjaren. Men spreekt van een lui oog, als het oog minder goed ziet, zonder dat er sprake is van een onderliggende ziekte. Dit uit zich in een lagere gezichtsscherpte dan dat van het goede oog. Het verhoogt daarmee het risico op slechtziendheid (omdat het kind maar één goed oog heeft) en een lagere kwaliteit van leven. Vaak wordt een lui oog veroorzaakt door een hoge oogsterkte, waardoor het oog niet goed kan focussen en daarom naar een onscherp beeld kijkt. Het kan ook komen door scheelzien of door een combinatie van beide.

Een lui oog kan goed behandeld worden met een bril en met het afplakken van het goede oog met een pleister. Een behandeling werkt alleen als je op tijd start met behandelen, voor de leeftijd van 6 jaar. Daarom wordt in Nederland nu standaard op 4-5 jaar de gezichtsscherpte gemeten. In sommige landen wordt er vanaf 1 jaar al gekeken of het kind een afwijkende oogsterkte heeft. Bijvoorbeeld in België. Het gevolg hiervan is dat kinderen met een hoge oogsterkte een bril krijgen vanaf 1-jarige leeftijd. En dat meer kinderen een bril dragen. Ondanks dat het aannemelijk is dat dit het ontstaan van een lui oog kan voorkomen, is dit nog niet bewezen. Daarbij is de aanschaf van brillen duurder voor ouders. En kost het ook de overheid veel geld om kinderen van 1 jaar te screenen op een hoge oogsterkte.

Om te onderzoeken of wij in Nederland het beleid van België moeten volgen, is er meer onderzoek nodig. En dan met name naar het effect van het vroeg voorschrijven van een bril op het ontstaan van een lui oog op latere leeftijd.

4. Hoe verloopt het onderzoek?

Hoelang duurt het onderzoek?

Doet uw kind mee met het onderzoek? Dan duurt dat in totaal ongeveer 3 jaar.

Stap 1: is uw kind geschikt om mee te doen?

Alle kinderen van 1 jaar zijn geschikt om mee te doen en om het eerste meetmoment te ondergaan.

Op het eerste meetmoment kijken / bepalen we of uw kind geschikt is om door te gaan met de studie. Daarom doet de onderzoeker (orthoptist) een aantal oogonderzoeken:

  • Bepalen of uw kind al een lui oog heeft op 1-jarige leeftijd.
  • Bepalen of uw kind andere oogaandoeningen heeft op 1-jarige leeftijd, die het doorsturen van uw kind naar een ziekenhuis noodzakelijk maken.

Voor het oogonderzoek worden druppels in de ogen gedaan die de pupillen tijdelijk groter maken. Dit is nodig om de oogsterkte van uw kind betrouwbaar te kunnen meten. En om de binnenkant (netvlies) van de ogen goed te kunnen bekijken.

Stap 2: de behandeling

De kinderen die een afwijkende oogsterkte hebben worden allemaal één tot 3 keer per jaar gecontroleerd tot ze 4 jaar zijn.

We verdelen deze kinderen ook in twee groepen:

  • Groep 1. De kinderen in deze groep krijgen een bril
  • Groep 2. De kinderen in deze groep krijgen geen bril

Loting bepaalt in welke groep uw kind komt (wel/geen bril) voor de komende 3 jaar. Op dit moment worden kinderen in België behandeld zoals in de eerste groep. Kinderen in Nederland worden behandeld zoals in de tweede groep.

Stap 3: onderzoeken en metingen
Voor het onderzoek is het nodig dat het deelnemende kind 1 tot 7 keer naar de onderzoekslocatie komt. De meeste kinderen (90%) zullen geen afwijkende oogsterkte hebben. Deze kinderen hoeven maar 1 keer naar de onderzoekslocatie te komen. Daarna worden ze op het consultatiebureau verder onderzocht zoals gebruikelijk in Nederland. De kinderen die wel een afwijkende oogsterkte (de overige 10%) worden één tot 3 keer per jaar gecontroleerd tot ze 4 jaar zijn. Een bezoek duurt ongeveer 60 minuten. Dit is inclusief wachttijd voor het laten inwerken van de oogdruppels die de pupillen wijd maken.

Alle kinderen die meedoen aan de studie worden onderzocht door ervaren orthoptisten die ook werkzaam zijn werken in ziekenhuizen. Voor de Vroege Bril Studie controleren zij op de onderzoekslocatie het volgende:

  • Oogstand
  • Dominantie
  • Oog volgbewegingen
  • Oogsterkte
  • Diepte zien
  • Gezichtsscherpte
  • Netvlies
  • De aan-/afwezigheid van kinderoogziekten (dominantie apart benoemen?)

Als het nodig is, onderzoekt ook kinderoogarts H.J.Simonsz de binnenkant van het oog en/of sturen wij uw kind naar het ziekenhuis (oogarts / orthoptist) voor behandeling.

Als uw kind een bril van ons krijgt, belt de orthoptist u één keer op na een periode van ongeveer 3 maanden. U wordt dan gevraagd naar het dragen van de bril door uw kind. Dit telefoongesprek duurt ongeveer 5-10 minuten.

Wat is er anders dan bij gewone zorg?

Er is bij dit onderzoek niet zoveel anders dan bij gewone zorg. In de meeste gevallen ( ongeveer 90%) zal uw kind één keer extra onderzocht worden ten opzichte van de huidige oogonderzoeken in Nederland. Dit onderzoek wordt gedaan door een ervaren orthoptist, die gespecialiseerd is in de ontwikkeling van het zien. Een klein deel van de kinderen (ongeveer 10%) zal een hoge oogsterkte hebben. Deze kinderen zullen vaker bij de orthoptist op de onderzoekslocatie voor controle komen. Ook zal een deel van deze kinderen op basis van loting een bril krijgen. Normaal wordt de oogsterkte van kinderen in Nederland niet gemeten tenzij er klachten zijn. Het dragen van een bril op 1-jarige leeftijd is hier dan ook zeldzaam. In België is het wel normaal om de oogsterkte te meten bij 1-jarige kinderen. In deze studie vergelijken we dan ook de oogheelkundige zorg van kinderen in Nederland met dat van België.

Stap 4: nacontrole

Kinderen die geen hoge oogsterkte hebben worden niet meer door ons gecontroleerd. Wel krijgen ze de standaard controle bij het consultatiebureau op de leeftijd van 4 jaar om een lui oog op te sporen. Alleen als u ons toestemming geeft, zullen wij deze informatie opvragen bij uw consultatiebureau. Dit geldt ook als uw kind door ons naar het ziekenhuis is verwezen. Of als uw kind op een andere manier bij een oogarts of orthoptist terecht is gekomen voor het controleren van de ogen.

5. Welke afspraken maken we met u en uw kind?

We willen graag dat het onderzoek goed verloopt. Daarom maken we de volgende afspraken met u:

  • U werkt mee met de behandeling van uw kind. Bijvoorbeeld als uw kind een briladvies krijgt van onze orthoptist, dan zoekt u een bril(montuur) uit bij de opticien. Ook helpt u uw kind bij het dragen van de bril voor zover mogelijk.
  • U komt naar iedere afspraak of verzet deze in geval van ziekte
  • U neemt contact op met de onderzoeker in deze situaties:

o Uw kind wordt ergens anders behandeld voor de ogen.
o U kind krijgt plotseling problemen met zijn/haar gezondheid.
o Uw kind kijkt plotseling scheel.
o De bril van uw kind is stuk en kan niet gerepareerd worden door de opticien.
o U wilt niet meer meedoen met het onderzoek.
o Uw telefoonnummer, adres of e-mailadres verandert.

6. Van welke bijwerkingen, nadelige effecten of ongemakken kunt uw kind last krijgen?

Het dragen van een goed aangemeten bril heeft geen nadelige effecten op de ogen. Het kan wel zo zijn dat uw kind de bril niet graag draagt, omdat hij niet lekker zit. Of omdat de sterkte in de bril niet goed (meer) is. Als dat het geval is, geef dit dan aan bij de studie orthoptist. Of bij de opticien (waar u de bril heeft gehaald) voor reparatie, als de bril stuk is gegaan.

7. Wat zijn de voordelen en de nadelen als uw kind meedoet aan het onderzoek?

Meedoen aan het onderzoek kan voordelen en nadelen hebben. Hieronder zetten we ze op een rij. Denk hier goed over na, en praat erover met anderen.

Meedoen aan het onderzoek kan deze voordelen hebben:

  • Het dragen van een bril kan een lui oog voorkomen, maar zeker is dat niet.
  • Als een bril door ons wordt voorgeschreven, is de bril gratis (1 bril per jaar).
  • Alle kinderen die meedoen aan de studie worden onderzocht door ervaren orthoptisten die werken in ziekenhuizen. Als het nodig is, onderzoekt ook kinderoogarts H.J.Simonsz de binnenkant van het oog. Hierdoor kunnen oogaandoeningen eerder worden gevonden dan normaal. En kan uw kind zo snel mogelijk geholpen worden.

Meedoen aan het onderzoek kan deze nadelen hebben:

  • Het dragen van een bril heeft geen bijwerkingen. Wel kan het zijn dat uw kind de bril niet wil dragen, zoals beschreven in paragraaf 6.
  • Uw kind kan last hebben van de metingen tijdens het onderzoek. Bijvoorbeeld: door het geven van oogdruppels die de pupillen verwijden. Dit kan gedurende enkele seconden een prikkend gevoel geven. Ook kunnen de druppels uw kind gedurende enkele uren wazig zicht geven. En meer gevoeligheid voor licht. Dit geeft tijdelijk licht ongemak. Maar het heeft geen nadelige effecten op uw kind.
  • Meedoen aan het onderzoek kost u extra tijd.
  • U moet zich houden aan de afspraken die horen bij het onderzoek.

Wilt u niet meedoen?

U beslist zelf of uw kind meedoet aan het onderzoek. Wilt u niet dat uw kind meedoet? Dan verandert er voor uw kind niets. De ogen van uw kind zullen gecontroleerd blijven worden op het consultatiebureau als uw kind tussen de 42-48 maanden en tussen de 54-66 maanden oud is. Extra oogonderzoeken op het consultatiebureau vinden alleen plaats als daar een reden voor is. Bijvoorbeeld bij het vermoeden van een oogafwijking op het consultatiebureau (zorgverlener) of thuis (ouder). Of als er oogafwijkingen voorkomen in de familie. Op deze contactmomenten op het consultatiebureau kunnen grote afwijkingen of scheelstand van de ogen worden gevonden. Maar het meten van de brilsterkte hoort hier niet bij. Als er afwijkingen worden gevonden op het consultatiebureau, dan wordt uw kind naar een orthoptist of oogarts gestuurd. Een lui oog en een brilsterkte worden dan wel vaak pas op 4-jarige leeftijd gevonden en behandeld.